A-G: herinvesteringsreserve mogelijk zonder dat verkoopopbrengst beschikbaar is

Indien een bedrijfsmiddel met winst wordt verkocht, kan onder voorwaarden een herinveseringsreserve (HIR) worden gevormd. Recent heeft de Advocaat-Generaal geconcludeerd dat het mogelijk is om een herinveseringsreserve (HIR) te vormen, ondanks dat de verkoopopbrengst niet langer beschikbaar is. Wij lichten de casus en de gevolgen voor de praktijk toe.

 

Algemene informatie over de HIR

Het vormen van een HIR kan alleen als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Wij noemen de belangrijkste. Er moet een voornemen tot herinvesteren bestaan en de herinvestering moet tijdig worden gedaan (over het algemeen binnen 3 kalenderjaren volgend op de verkoop). Daarnaast is gebruik van de HIR alleen mogelijk als aan de zogenoemde boekwaarde-eis wordt voldaan. Dit betekent dat het aangekochte bedrijfsmiddel mag na afboeking van de HIR niet een lagere boekwaarde mag hebben dan het vervreemde bedrijfsmiddel. Als het aangekochte bedrijfsmiddel in 10 jaar of meer zal worden afgeschreven, dan dient dit bedrijfsmiddel dezelfde economische functie te vervullen als het verkochte bedrijfsmiddel.

In de praktijk ontstaat vooral discussie met de Belastingdienst over de vraag of een voornemen tot herinvesteren bestaat. Dit voornemen moet aannemelijk worden gemaakt. Wij raden dan ook aan om een dergelijk voornemen goed te documenteren als u een HIR wilt vormen.

 

De situatie

In deze zaak heeft de betrokken vennootschap verschillende panden aan haar aandeelhouders verkocht. Hof Den Haag oordeelde dat de verkoopopbrengst lager is geweest dan de werkelijke waarde ervan en corrigeerde de waarde tot de werkelijke waarde. Deze correctie heeft tot gevolg dat ook de belastbare winst van de vennootschap toeneemt. Daarnaast zal het verschil als verkapt dividend aangemerkt worden.

De vennootschap heeft het standpunt ingenomen dat als de panden een hogere waarde zouden hebben, zij dit verschil wilde doteren aan een HIR. Het Hof Den Haag oordeelt dat op het moment van vervreemden van de panden het de bedoeling van de vennootschap was om haar aandeelhouders te bevoordelen. In dat geval kan volgens het Hof geen HIR worden gevormd.

De Advocaat-Generaal komt echter tot een andere conclusie. Hij concludeert dat de verkoopopbrengst niet per sé voor de herinvestering hoeft te worden aangewend.  In dat geval zou namelijk ook telkens moeten worden beoordeeld of een herinvestering met dezelfde middelen heeft plaatsgevonden, hetgeen een onuitvoerbare exercitie zou zijn, aldus de A-G. In dat geval zouden ook materieel gelijke gevallen fiscaal ongelijk worden behandeld.

Naar de mening van de A-G moet de feitelijke intentie van de vennootschap worden beoordeeld. Oftewel, het gaat erom of de vennootschap een voornemen had om tot herinvestering over te gaan. De A-G komt tot de conclusie dat hier opnieuw onderzoek naar moet worden gedaan.

 

Gevolgen voor de praktijk

Wij verwachten dat de Hoge Raad dit standpunt van de A-G volgt. In dat geval blijft het voornemen tot herinvestering van belang. Zoals wij al aanraden, is het een goed idee om dit duidelijk te documenteren. Als de Hoge Raad de conclusie van de A-G volgt, betekent dit dat niet hoeft te worden aangegeven dat de herinvestering met dezelfde middelen zal plaatsvinden.

Verder merken wij op dat als er verschillende HIR’s gevormd worden, niet per sé de oudste HIR als eerste gebruikt hoeft te worden. Het is aan te raden de HIR’s zodanig in te zetten dat een zo groot mogelijk afschrijvingspotentieel blijft bestaan.

Mocht u hierover vragen hebben, neem dan vooral contact met ons op.

 

Meer informatie?

Martijn van der Kroon
+31 (0) 6 11 51 03 85
martijn.vanderkroon@cb-more.com

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?

Neem contact op
Deze website maakt gebruik van cookies.
Annuleren