De beste wensen voor 2016! Wat is er gewijzigd in 2016 en wat gaat er nog wijzigen in 2017?

Op 22 december heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Belastingplan 2016. Nadat het Belastingplan in de Tweede Kamer was aangenomen, heeft de regering nog enkele wijzigingen middels een novelle aangebracht, zodat ook in de Eerste Kamer een meerderheid voor het Belastingplan 2016 zou bestaan. Deze wijzigingen zijn hieronder meegenomen.

Wij zetten de belangrijkste wijzigingen graag voor u op een rij.   Verschillende maatregelen gaan niet in 2016, maar pas in 2017 in. Wij geven dat telkens aan. Wij hebben de voorgestelde wetswijzigingen onderverdeeld in de categorieën particulieren, bedrijven en vastgoed. We hebben de wijzigingen ten opzichte van de voorstellen met Prinsjesdag vetgedrukt.

1. Particulieren
Aanpassing box 3-heffing
In 2017 wordt box 3 ingrijpend veranderd. Het heffingsvrije vermogen in box 3 gaat € 25.000 bedragen (voor fiscale partners € 50.000). Het fictief rendement wordt bepaald aan de hand van de volgende percentages van het belaste vermogen: 2,9% tot € 75.000, 4,7% tussen de € 75.000 en € 975.000 en 5,5% voor het meerdere. Deze percentages zijn gebaseerd op meerjarige gemiddelden van verschillende assetklassen. De genoemde percentages zijn de huidige gemiddelden; wanneer in 2017 de regeling ingaat kunnen deze percentages veranderd zijn. Het forfaitair rendement blijft belast tegen 30% inkomstenbelasting. Fiscale partners mogen hun vermogen na aftrek van het heffingsvrije vermogen – net als nu – vrij toerekenen. Voor de toekomst betekent dit echter dat, vanwege de oplopende percentages, deze toerekening gevolgen kan hebben voor de verschuldigde belasting.
Vooruitlopend op deze wijziging wordt het heffingsvrije vermogen per partner in 2016 met € 3.000 extra opgehoogd tot € 24.437 (voor fiscaal partners € 48.874).
Overigens is de regering aangespoord om een uiterste inspanning te doen om vanaf 2017 in box 3 de werkelijke rendementen te belasten in plaats van de forfaitaire rendementen. In hoeverre de regering die stap zal zetten, zal waarschijnlijk pas met Prinsjesdag 2016 duidelijk worden.

Aanpassing forfaitair rendement in box 2
Ook box 2 kent een forfaitair rendement voor Vrijgestelde BeleggingsInstellingen (VBI’s) en niet in Nederland gevestigde vennootschappen waarvan het vermogen voor meer dan de helft uit beleggingen bestaan. Dit forfaitaire rendement bedraagt op dit moment 4%, zodat jaarlijks een heffing van 1% over de waarde van de beleggingen resulteert. Deze heffing wordt verminderd met het jaarlijkse uitgekeerde dividend. Dit forfaitaire rendement wordt met ingang van 2017 tevens verhoogd naar 5,5%.

Vrijstelling schenkbelasting voor eigen woning
Op 1 januari 2017 wordt een vrijstelling in de schenkbelasting ingevoerd voor schenkingen aan personen tussen de 18 en 40 jaar ten behoeve van hun eigen woning voor een bedrag tot € 100.000. Mocht al eerder een schenking zijn gedaan ten behoeve van de eigen woning dan kan voor het restant tot € 100.000 nog gebruik worden gemaakt van de vrijstelling.Indien in enig jaar slechts een gedeelte van deze vrijstelling wordt benut, dan kan het restant in de twee daaropvolgende jaren nog worden benut.

Aanscherping emigratie AB-houder
Bij emigratie van een aanmerkelijk belanghouder wordt een conserverende aanslag opgelegd. Op dit moment wordt deze aanslag onder voorwaarden na 10 jaar kwijtgescholden en enkel geïnd als zogenoemde verboden handelingen worden verricht, zoals meer dan 90% van de winstreserves van de betreffende vennootschap uitkeren. Deze regels worden behoorlijk aangescherpt. Zo wordt de looptijd van de conserverende aanslag onbeperkt. Verder wordt de conserverende aanslag ingevorderd indien en voor zover in binnenlandse situaties een voordeel uit aanmerkelijk belang zou zijn genoten. Dit betekent dat (gedeeltelijke) invordering plaatsvindt bij bijvoorbeeld een dividenduitkering. Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot het moment van bekendmaking van het Belastingplan (15 september 2015 om 15.15 uur) om anticipatiegedrag te voorkomen. Voor de goede orde merken wij op dat de oude regeling geldt voor personen die vóór dit moment zijn geëmigreerd.

Verplichting kinderalimentatie uitgesloten van box 3
Vanaf 1 januari 2015 kwamen verplichtingen voor kinderalimentatie weer in aanmerking om op nemen als schuld in box 3, na eerder uitgesloten te zijn. De wijziging wordt per 1 januari 2017 teruggedraaid, zodat de verplichting tot kinderalimentatie, evenals andere alimentatieverplichtingen niet meer als schuld in box 3 zijn op te nemen.

Geen minimumwaarderingsregel meer voor afkoop lijfrente
Bij afkoop van een lijfrenteverzekering, -beleggingsrecht of –spaarrekening geldt op dit moment dat het bedrag dat in box 1 wordt belast ten minste de eerder in aftrek gebrachte premies bedraagt (de minimumwaarderingsregel). In gevallen waarbij de afkoopsom (veel) lager is, werkt dit belemmerend. Deze minimumwaarderingsregel wordt per 1 januari 2016 afgeschaft, zodat enkel nog de afkoopsom wordt belast. In bepaalde gevallen zal ambtshalve vermindering worden verleend voor afkopen die zijn gedaan vóór 1 januari 2016.

Aanpassingen eigen woning regime
Er zijn een drietal aanpassingen in het eigen woning regime. Ten eerste wordt hypotheekrenteaftrek weer mogelijk nadat een aflossingsachterstand is ingehaald. Ten tweede wordt de dubbele partnervrijstelling bij uitkeringen van kapitaalverzekeringen eigen woning, spaarrekeningen eigen woning en beleggingsrechten eigen woning ruimer toegepast. Ten derde wordt de informatieplicht voor hypotheekleningen van de eigen vennootschap of van een particulier versoepeld.

Aanpassingen partnerbegrip
Samenlevende personen worden bij opname-/opvangsituaties onder voorwaarden per 1 januari 2016 niet meer als toeslag- en fiscale partner aangemerkt voor de periode dat de opvang duurt. Ten tweede wordt op verzoek een stiefkind en stiefouder niet langer als toeslag- en fiscale partner aangemerkt.

Wijzigingen in de inkomstenbelasting en toeslagen
In de inkomstenbelasting worden verschillende aanpassingen in tarieven en heffingskortingen gedaan. In 2016 gaat het tarief van de tweede en derde schijf (inclusief premie volksverzekeringen) met 1,6% omlaag tot 40,4%. De derde tarief schijf wordt verlengd, zodat de vierde schijf van 52% pas aanvangt bij inkomen boven de € 66.421. De algemene heffingskorting wordt sneller afgebouwd, zodat deze bij hogere inkomens lager uitvalt. De arbeidskorting gaat omhoog tot € 3.103, maar de afbouwgrens wordt verlaagd naar een inkomen van € 34.000. De maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkenden met kinderen tot 12 jaar stijgt naar € 2.769 en ook het opbouwpercentage stijgt. De ouderenkorting  wordt verhoogd tot een bedrag van € 1.187.

2. Bedrijven
Implementatie aanpassing Moeder-dochterrichtlijn
De Moeder-dochterrichtlijn (MDR) binnen de EU is aangepast, waarbij de anti-misbruikbepaling is aangescherpt en de MDR niet mag worden toegepast bij zogenoemde hybride mismatches. In een apart wetsvoorstel wordt de wijziging van de MDR per 1 januari 2016 geïmplementeerd. De deelnemingsvrijstelling en –verrekening zullen niet langer worden toegepast op voordelen uit een deelneming waarbij die vergoedingen of betalingen bij de deelneming in aftrek van een winstbelasting komen. Zelfs indien de vergoeding kan worden afgeboekt op de kostprijs van de deelneming, zal deze tot de belastbare winst gerekend moeten worden.
De aanscherping van de anti-misbruikbepaling in de MDR wordt geïmplementeerd door de zogenoemde buitenlandse aanmerkelijk belang-regeling en de inhoudingsplicht voor coöperaties aan te passen. In de regelingen wordt de terminologie aangepast aan die van de MDR, waarbij het onderscheid tussen het toerekenen van het aanmerkelijk belang aan het ondernemingsvermogen wordt losgelaten. Bepalend wordt of sprake is van een kunstmatige constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Hierbij gaan ook de zogenoemde substance-vereisten een belangrijkere rol spelen. De inhoudingsplicht voor coöperaties wordt voorts aangepast om te voorkomen dat een bestaande dividendbelastingclaim middels voeging ongedaan gemaakt kan worden, tenzij sprake is van een coöperatie met reële activiteiten of functie.
Overigens zijn deze wetswijzigingen niet beperkt tot de EU of EER maar hebben een wereldwijde werking.

Documentatieverplichtingen grote multinationale ondernemingen
Vanaf 1 januari 2016 gaan de volgende documentatieverplichtingen gelden voor grote multinationale ondernemingen. Voor ondernemingen met een groepsomzet van meer dan € 50 miljoen geldt dat de Nederlandse entiteiten een lokaal dossier en een groepsdossier moeten opstellen met informatie over de interne verrekenprijzen. Voor ondernemingen met een groepsomzet van meer dan € 750 miljoen, waarvan de moedermaatschappij in Nederland is gevestigd, wordt verplicht om de Belastingdienst jaarlijks een landenrapport te verstrekken (country-by-country reporting). In bepaalde gevallen worden Nederlandse onderdelen van een dergelijke groep verplicht om een landenrapport aan te leveren.

Gebruikelijkheidscriterium werkkostenregeling aangescherpt
Per 1 januari 2016 wordt het gebruikelijkheidscriterium in de werkkostenregeling aangescherpt. Het moet gebruikelijk zijn dat de betreffende vergoeding of verstrekking als eindbestanddeel wordt aangemerkt (en niet zozeer zoals nu de omvang ervan). Bij de bepaling hiervan speelt de aard en de hoogte van de vergoeding of verstrekking wel een rol evenals de overige vergoedingen en/of verstrekkingen worden in de beoordeling meegewogen. Een vergoeding of verstrekking wordt geacht gebruikelijk te zijn indien deze maximaal 30% afwijkt van hetgeen in normale omstandigheden het geval zou zijn.

Step-up dividendbelasting bij grensoverschrijdende fusies en splitsingen
Voor grensoverschrijdende fusies en splitsingen gaat in de dividendbelasting een step-up gelden, zodat reeds bestaande (buitenlandse) winstreserves niet met Nederlandse dividendbelasting worden beclaimd. Deze maatregel gaat per 1 januari 2016 in en moet grensoverschrijdende fusies en splitsingen met een Nederlandse verkrijgende vennootschap aantrekkelijker maken.

Voordelen uit commanditair belang in CV worden belast
Per 1 januari 2016 wordt het hebben van een commanditair belang in een CV als het drijven van een onderneming aangemerkt voor stichtingen, verenigingen en overheidslichamen. Hierdoor worden thans niet-vennootschapsbelastingplichtige stichtingen, verenigingen en overheidslichamen belast voor hun commanditaire belang in een CV die een onderneming drijft.

Reorganisatievrijstellingen voor belaste overheidslichamen
Per 1 januari 2016 wordt de belastingplicht voor overheidslichamen in de vennootschapsbelasting ingevoerd. Om ook reorganisaties voor overheidslichamen mogelijk te maken wordt een regeling in de vennootschapsbelasting ingevoerd waarbij bepaalde reorganisaties gefaciliteerd kunnen plaatsvinden.

Loonkostensubsidie voor specifieke groepen werknemers
In 2017 wordt een subsidie voor werknemers met een laag inkomen ingevoerd. Dit lage-inkomensvoordeel (LIV) bedraagt maximaal € 2.000 per werknemer met een inkomen tussen de 110% en 120% van het minimumloon en € 1.000 voor inkomens tot 110% van het minimumloon. In 2018 wordt een loonkostenvoordeel (LKV) ingevoerd voor oudere werknemers en werknemers met een arbeidsbeperking. De LKV bedraagt maximaal € 6.000 per werknemer per jaar voor een periode van maximaal 3 jaar. De huidige regeling voor premiekorting voor deze werknemers zal vervallen.

Samenvoegen WBSO en RDA
Zoals eerder was aangekondigd, worden per 1 januari 2016 de WBSO en RDA samengevoegd, waarbij feitelijk de RDA komt te vervallen. De WBSO-aanvraag wordt uitgebreid voor overige S&O-kosten en –uitgaven, naast de loonkosten. Het voordeel voor de eerste € 350.000 aan S&O-kosten bedraagt 32% (40% voor starters) en voor het meerdere 16%. Het huidige plafond vervalt. Wel bedraagt het voordeel maximaal de verschuldigde loonheffing van de belastingplichtige. In plaats van het berekenen van de werkelijke S&O-kosten kan voor een forfaitaire regeling van € 10 p/u voor de eerste 1.800 S&O-uren en € 4 p/u voor het meerdere gekozen worden.

3. Vastgoed
Erfpachtlease niet meer gunstig behandeld
Vanaf 1 januari 2016 wordt de heffingsmaatstaf in de overdrachtsbelasting bij erfpachtlease aangepast. Op dit moment geldt dat waarde van het onroerend goed wordt verminderd met de contante waarde van de erfpachtcanon of –retributie. Om erfpachtlease gelijk te behandelen met sale-and-lease-back wordt de heffingsmaatstaf niet langer verminderd met de contante waarde van de erfpachtcanon of –retributie. Dit geldt ook in gevallen van ondererfpacht of onderopstal.

Aftrek EU-monumentenpanden
Op basis van een arrest van het Hof van Justitie van de EU zijn kosten van monumentenpanden in een andere EU- of EER-lidstaat aftrekbaar in de inkomstenbelasting, indien dit pand onderdeel vormt van het Nederlandse culturele erfgoed. Dit arrest wordt nu gecodificeerd. Onder voorwaarden kan een dergelijk monument ook onder de Natuurschoonwet 1928 worden gerangschikt.

Tot slot
Mocht u naar aanleiding hiervan vragen hebben, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Meer informatie?

Martijn van der Kroon
+31 (0) 6 11 51 03 85
martijn.vanderkroon@cb-more.com

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?

Neem contact op
Deze website maakt gebruik van cookies.
Annuleren